ChatGPT Image 11 jun 2026, 10_43_53

Hoofd en lichaam horen samen: waarom verandering geen of-of verhaal is

In coaching en therapie wordt soms gesproken alsof men moet kiezen:

Of men werkt cognitief, via gesprek, inzicht en betekenisgeving.

  • Of men werkt lichaamsgericht, via ademhaling, beweging, waarneming en regulatie.

Maar als je naar echt menselijk functioneren kijkt, merk je al snel dat dit onderscheid kunstmatig is.

De mens is geen hoofd dat toevallig een lichaam heeft. En evenmin een lichaam waarin het hoofd slechts een storende factor is. We zijn een voortdurend afgestemd systeem waarin brein, lichaam, zenuwstelsel, emoties, ademhaling, hartslag, zintuigen, geheugen en sociale omgeving elkaar beïnvloeden. Verandering vraagt daarom geen keuze tussen hoofd en lichaam, maar een zorgvuldige integratie van beide.

Dat is vandaag extra belangrijk om te benoemen. Lange tijd werd begeleiding vaak sterk cognitief benaderd. Men vertrok vanuit praten, begrijpen, analyseren en herstructureren. De lichamelijke kant van stress, trauma, spanning en ontregeling kreeg soms te weinig plaats. De hernieuwde aandacht voor het lichaam is daarom meer dan terecht.

Maar ook daar ontstaat een risico. In sommige vormen van coaching en therapie lijkt het vandaag alsof lichaamsgerichte interventies alles zouden oplossen. Alsof ademen, voelen, vertragen, gronden of reguleren altijd de ingang moeten zijn. Alsof het hoofd vooral in de weg zit en het lichaam vanzelf de waarheid vertelt. Ook dat is te eenzijdig.

Hoofd en lichaam werken niet in een wedstrijd met elkaar. Ze maken deel uit van een dynamisch model van verandering. Het gaat om het voortdurende spel tussen denken, voelen, waarnemen, lichamelijke activatie, betekenisgeving, gedrag en relatie. Soms heeft iemand vooral cognitieve helderheid nodig. Soms eerst lichamelijke regulatie. Vaak zijn beide nodig, maar niet altijd op hetzelfde moment en niet altijd in dezelfde volgorde.

De professionele vraag is dus niet: werk ik met het hoofd of met het lichaam? De vraag is: wat heeft dit systeem, op dit moment, in dit proces nodig?

Psychofysiologie als brug tussen hoofd en lichaam

Psychofysiologie onderzoekt de samenhang tussen psychologische processen en lichamelijke functies. In mijn praktijk vind ik het belangrijk te beseffen dat psychologische processen niet goed te begrijpen zijn wanneer je enkel naar gedachten of emoties kijkt. Neurale, fysiologische, cognitieve, emotionele en sociale processen moeten samen bekeken worden.

Dat is een belangrijk vertrekpunt. Wanneer iemand stress ervaart, gaat het niet alleen om een gedachte als “ik kan dit niet aan”. Er gebeurt ook iets in het lichaam. De ademhaling verandert, de spierspanning neemt toe, de hartslag past zich aan, de aandacht vernauwt en het zenuwstelsel bereidt zich voor op actie, bescherming of terugtrekking.

Maar evengoed geldt het omgekeerde. Wanneer het lichaam al in spanning of alarm is, beïnvloedt dat de manier waarop iemand denkt, interpreteert, voelt en reageert. Een verhoogde hartslag, gespannen ademhaling of voortdurende waakzaamheid kan ervoor zorgen dat situaties sneller als bedreigend worden gelezen. Het lichaam geeft dus niet alleen informatie door, het kleurt ook de ervaring.

Het autonome zenuwstelsel speelt daarin een centrale rol. Het helpt ons voortdurend aanpassen aan veranderende omstandigheden. Dat noemen we allostatische balans: stabiliteit door verandering. Stress is in eerste instantie geen fout in ons systeem, het is een poging tot adaptatie. Het lichaam probeert te doen wat nodig is om met de situatie om te gaan. Dat is goed. Stel dat je gaat sporten en je hartslag gaat niet omhoog. Het zou voor geen meter lukken.

Het is pas wanneer die activatie te lang blijft duren, te intens wordt of onvoldoende kan herstellen, dat belasting ontstaat. Dan spreken we van allostatische load. Het systeem blijft dan als het ware betalen voor voortdurende aanpassing. Dat heeft gevolgen voor lichaam en geest. Chronische spanning beïnvloedt niet alleen hoe iemand zich lichamelijk voelt, maar ook hoe iemand denkt, keuzes maakt, emoties verwerkt en met anderen in verbinding blijft.

Waarom inzicht alleen soms niet genoeg is

Inzicht is waardevol. Mensen hebben taal nodig om zichzelf te begrijpen. Ze willen kunnen plaatsen wat er gebeurt, verbanden leggen, oude patronen herkennen en nieuwe keuzes maken. Cognitief werken blijft daarom een belangrijk onderdeel van begeleiding.

Cognitieve herstructurering kan noodzakelijk zijn. Mensen kunnen vastzitten in overtuigingen die spanning blijven voeden. Denk aan gedachten zoals “ik mag geen fouten maken”, “ik moet dit alleen kunnen”, “ik ben lastig als ik mijn grenzen aangeef” of “als iemand teleurgesteld is, heb ik iets verkeerd gedaan”. Zulke interpretaties zijn niet zomaar gedachten. Ze kunnen het lichaam telkens opnieuw in paraatheid brengen.

Daarom blijft het belangrijk om met taal, reflectie en betekenisgeving te werken. Soms ontstaat er pas rust wanneer iemand begrijpt dat een oude overtuiging niet langer klopt. Soms verandert het lichaam mee wanneer een situatie anders geïnterpreteerd wordt. Top down werken is dus geen achterhaald model. Het blijft een wezenlijk onderdeel van begeleiding.

Tegelijk zien coaches en therapeuten vaak dat inzicht niet altijd leidt tot verandering. Een cliënt kan perfect begrijpen waarom hij grenzen moeilijk aangeeft, waarom ze bevriest in conflict of waarom het lichaam gespannen blijft na een moeilijke periode. En toch verandert er weinig.

Dat komt omdat het zenuwstelsel niet alleen werkt via bewuste gedachten. Het lichaam registreert veiligheid, dreiging, nabijheid, toon, tempo, gezichtsuitdrukking, ademhaling en spanning. Soms reageert het lichaam al voor het hoofd woorden heeft gevonden. Dan kan praten helpen, maar alleen praten is vaak te beperkt.

Wanneer het lichaam in alarm blijft, kan het hoofd moeilijk bijsturen. Dan is er eerst regulatie nodig. Vertraging. Waarneming. Ademruimte. Contact met het lichaam. Co regulatie. Een veilige relatie waarin het systeem opnieuw kan ervaren dat het niet voortdurend moet vechten, vluchten of bevriezen.

Waarom lichaamsgericht werken alleen ook niet genoeg is

De herwaardering van het lichaam is belangrijk. Ze heeft veel gebracht in coaching en therapie. We begrijpen beter dat spanning, stress en trauma niet alleen in het verhaal van de cliënt zitten, maar ook in het zenuwstelsel, in ademhaling, spierspanning, houding, ritme en lichamelijke gewaarwording.

Maar lichaamsgericht werken mag geen nieuwe eenzijdigheid worden. Niet elke klacht vraagt in de eerste plaats een ademhalingsoefening. Niet elke spanning verdwijnt door te voelen. Niet elke blokkade is opgelost wanneer iemand zich bewust wordt van zijn lichaam.

Soms blijft iemand gespannen omdat hij een situatie voortdurend interpreteert als gevaarlijk. Soms blijft iemand over zijn grenzen gaan omdat er een diepgewortelde overtuiging meespeelt dat zorg voor zichzelf egoïstisch is. Soms is er niet alleen regulatie nodig, maar ook inzicht in patronen, relaties, betekenissen en keuzes. Dan moet het hoofd mee aan tafel.

Een lichaamsgerichte interventie kan zelfs te vroeg komen wanneer iemand nog niet begrijpt wat er gebeurt of wanneer het voelen te overspoelend is. Omgekeerd kan praten te vroeg of te veel zijn wanneer iemand lichamelijk te hoog in spanning zit.

Professioneel begeleiden vraagt geen vaste voorkeur, het vraagt afstemming.

De vraag is telkens: welke ingang opent op dit moment ruimte? Is er eerst veiligheid nodig? Is er eerst taal nodig? Is er eerst vertraging nodig? Is er eerst betekenisgeving nodig? Is er eerst beweging, adem of co regulatie nodig? Of is er net een cognitieve herstructurering nodig omdat de interpretatie zelf de spanning blijft aansturen?

Niet alleen top down, ook bottom up. Niet alleen bottom up, ook top down.

Lange tijd werd menselijk functioneren sterk breincentrisch bekeken. Alsof het bewuste, denkende brein bovenaan stond en de rest van het systeem vooral moest volgen. Recente inzichten nodigen uit om daarvan af te stappen. Brein en lichaam vormen geen eenvoudige hiërarchie, maar een dynamisch systeem met voortdurende feedback.

Top down werken blijft belangrijk. Via taal, reflectie en betekenisgeving kan iemand anders leren kijken naar zichzelf en de situatie. Een nieuwe interpretatie kan het lichaam tot rust brengen. Een helder inzicht kan gedrag veranderen. Een andere betekenis kan de spanning rond een ervaring verzachten.

Maar bottom up werken is even belangrijk. Via ademhaling, lichaamssensaties, beweging, stem, ritme en zintuiglijke waarneming kan het zenuwstelsel rechtstreeks worden aangesproken. Soms ontstaat er pas denkruimte nadat het lichaam iets meer veiligheid ervaart.

Het werkt dus in beide richtingen. Een gedachte kan lichamelijke spanning oproepen. Een lichamelijke alarmreactie kan het denken vernauwen. Een rustige ademhaling kan reflectie mogelijk maken. Een cognitieve herstructurering kan lichamelijke ontspanning ondersteunen. Een veilige relatie kan beide processen tegelijk beïnvloeden.

In goede begeleiding wisselen deze richtingen elkaar af. Men helpt de cliënt begrijpen wat er gebeurt, maar ook voelen wat er gebeurt. Men benoemt patronen, maar vertraagt ook genoeg om lichamelijke signalen op te merken. Men werkt met gedachten, maar ook met adem, houding, spanning, nabijheid en herstel.

Dat is het dynamische spel waar het om gaat. Niet kiezen voor het hoofd of het lichaam, maar leren volgen hoe beide elkaar voortdurend beïnvloeden. Dat vraagt van de professional meer dan het toepassen van technieken. Het vraagt klinisch redeneren, afstemming en timing. Men moet kunnen inschatten wanneer cognitieve herstructurering nodig is, wanneer lichaamsgerichte regulatie nodig is, wanneer co regulatie nodig is en wanneer men beter nog even niets probeert op te lossen.

De rol van co regulatie

Een mens reguleert niet alleen zichzelf. We zijn sociale wezens. Ons zenuwstelsel wordt beïnvloed door de aanwezigheid van anderen. Een rustige stem, een afgestemd tempo, een veilige blik, duidelijke grenzen en respectvolle nabijheid kunnen helpen om spanning te laten zakken.

Daarom is de coach of therapeut niet alleen iemand die vragen stelt. De begeleider is ook een regulerende aanwezigheid. Dat betekent niet dat men de cliënt moet overnemen of redden. Het betekent wel dat men bewust werkt met veiligheid, tempo, afstemming en relatie.

Co regulatie is geen zachte extra. Het is een fundamenteel onderdeel van hoe mensen leren reguleren. Zeker bij cliënten die veel stress, trauma, overprikkeling of langdurige spanning hebben ervaren, kan het lichaam via de relatie opnieuw leren wat veiligheid is.

Ook hier blijft het dynamische model belangrijk. Co regulatie is geen vervanging van inzicht. En inzicht is geen vervanging van veiligheid. Beide kunnen elkaar versterken. Een cliënt kan via een veilige relatie meer durven voelen, en via woorden beter begrijpen wat er gebeurt. Dat samenspel maakt begeleiding rijker en preciezer.

Ademhaling als bewuste toegangspoort

Ademhaling neemt een bijzondere plaats in. Ze verloopt grotendeels automatisch, maar kan ook bewust beïnvloed worden. Daardoor vormt ademhaling een toegankelijke brug naar het autonome zenuwstelsel.

Ook hier weer, het betekent niet dat elke ademhalingsoefening altijd helpend is. Polyvagaalbewust en lichaamsgericht werken vraagt nuance. Eerst waarnemen, dan pas reguleren. Eerst begrijpen in welke toestand iemand zich bevindt, dan pas kiezen welke interventie passend is. Soms heeft iemand vertraging nodig. Soms eerder begrenzing. Soms beweging. Soms stemgebruik. Soms vooral veiligheid en contact. Soms net woorden, ordening en cognitieve helderheid.

Ademhaling, hartcoherentie en lichaamsbewustzijn zijn dus geen trucjes om snel rustig te worden. Ze zijn manieren om opnieuw contact te maken met signalen van het lichaam en om stap voor stap meer flexibiliteit in het zenuwstelsel te ontwikkelen. Maar ze werken het best wanneer ze ingebed zijn in een ruimer proces, waarin ook betekenisgeving, reflectie en gedrag meegenomen worden.

Wat betekent dit voor therapie?

Voor therapeuten en coaches betekent dit dat men breder leert kijken. Niet alleen naar het verhaal dat iemand vertelt, maar ook naar wat het lichaam mee vertelt. Niet alleen naar overtuigingen, maar ook naar activatietoestanden. Niet alleen naar gedrag, maar ook naar de onderliggende regulatie.

Een cliënt die uitstelt, blokkeert of vermijdt, is niet noodzakelijk ongemotiveerd. Het kan ook zijn dat het zenuwstelsel bescherming zoekt. Iemand die snel emotioneel wordt, is niet noodzakelijk te gevoelig. Het lichaam kan sneller in alarm gaan dan het hoofd kan begrijpen. Iemand die rationeel alles kan uitleggen maar niets voelt, kan net bescherming vinden in afstand en controle.

Maar het omgekeerde is even belangrijk. Een cliënt die spanning voelt, heeft niet altijd alleen lichaamsgerichte regulatie nodig. Soms moet onderzocht worden welke betekenis aan een situatie wordt gegeven. Welke overtuiging blijft de stress voeden? Welke interpretatie maakt iets bedreigend? Welke innerlijke regel houdt iemand gevangen? Welke gedachten maken dat het lichaam telkens opnieuw in alarm gaat?

Wanneer men hoofd en lichaam samen betrekt, ontstaat er meer mildheid en precisie. Men hoeft gedrag niet meteen te corrigeren. Men hoeft ook niet elk lichamelijk signaal meteen te reguleren. Men kan eerst begrijpen welke toestand, betekenis en behoefte eronder ligt. Van daaruit wordt verandering vaak duurzamer.

Lichaamsgericht en traumasensitief therapeutisch werken

In onze opleiding Lichaamsgericht en traumasensitief therapeutisch werken, leer je hoe je het zenuwstelsel als praktisch en neurobiologisch kader kan gebruiken in begeleiding. Je leert signalen van spanning, stress en ontregeling herkennen, maar ook hoe je cliënten helpt om opnieuw veiligheid, lichaamsbewustzijn en veerkracht te ontwikkelen.

De opleiding combineert theorie met veel ervaringsgerichte oefeningen. We werken rond neuroceptie, interoceptie, ademhaling, hartcoherentie, co regulatie, stemgebruik, sociale betrokkenheid, lichaamsgerichte hulpbronnen en omgaan met moeilijke gevoelens. Niet als losstaande technieken, maar als onderdeel van een veilige, afgestemde en traumasensitieve manier van begeleiden.

Tegelijk blijft het hoofd volwaardig aanwezig. We blijven werken met taal, betekenisgeving, reflectie, overtuigingen, patronen en cognitieve herstructurering waar dat nodig is. Lichaamsgericht en traumasensitief werken betekent dus niet dat het lichaam alles verklaart. Het betekent dat men het lichaam niet langer vergeet. En evenmin dat men het hoofd buitenspel zet.

Hoofd en lichaam hoeven niet tegenover elkaar te staan. Het hoofd helpt begrijpen. Het lichaam helpt voelen en signaleren. De relatie helpt veiligheid creëren. En de professional helpt inschatten welke ingang op welk moment nodig is.

Pas wanneer die elementen met elkaar in gesprek gaan, ontstaat er ruimte voor echte verandering.

De opleiding Lichaamsgericht en traumasensitief therapeutisch werk is nu ook geaccrediteerd voor eap uren.

Terug naar werk en Re integratie na ziekte en ontslag

Wanneer misbruik de norm lijkt, verliest een samenleving haar nuance

Gisteren keek ik naar Pano, naar de reportage ‘Je vous derange’, waarin werklozen werden gevolgd. Het was een aflevering die bedoeld was om inzicht te geven maar vooral veel beroering veroorzaakt. Journalist Christophe Deborsu ligt intussen zelf onder vuur omdat hem verweten wordt dat hij met framing werkt en vooral de kleine groep mensen toont die bewust niet meer wil werken.

Wat mij vooral bijbleef, was niet zozeer de inhoud van de reportage, maar de manier waarop dit past in een bredere beweging die ik steeds vaker zie. Een reflex waarbij het gedrag van enkelen uitvergroot wordt en vervolgens gebruikt wordt om een hele groep argwanend te benaderen, alsof misbruik het uitgangspunt bij uitstek moet zijn en goede intenties de uitzondering. En dat principe zie ik doorsijpelen in beleid.

We zagen het bij de loopbaancheques en nu opnieuw bij het Vlaams opleidingsverlof, waar misbruik van een beperkt aantal spelers leidt tot maatregelen die complete sectoren raken. In plaats van de kwaliteitssystemen bij te sturen en gericht in te grijpen waar het fout loopt, worden volledige regelingen teruggeschroefd of opgeschort, alsof alles wat ooit mis kan lopen maar beter ineens afgeschaft wordt. Het is in mijn ogen een makkelijke ‘onder het mom van’-actie die alle transparantie schuwt.

In mijn werk binnen de Terug Naar Werk-trajecten van het Riziv zie ik nochtans een heel ander beeld, veel dichter bij de realiteit dan het beeld dat dit soort reportages oproept. Ik zie mensen die al lange tijd ziek thuis zijn en die, ondanks hun zorgen en onzekerheden, opnieuw stappen willen zetten richting werk. Mensen die niet tegengehouden worden door onwil maar door leeftijd, gezondheidsbeperkingen, gebrek aan perspectief of simpelweg de vraag wat haalbaar is. Ze hebben geen bruuske duw nodig, geen argwanende blik, maar richting, vertrouwen en ondersteuning.

Er heerst zoveel achterdocht zodra werkloosheid ter sprake komt, ook bij het solliciteren. Alsof wie een langere periode uit is geweest, automatisch niet meer echt wil werken. Dat is dus niet het beeld dat ik dagelijks zie, en het is ook niet wat deze mensen verdienen.

Dat wit-zwart patroon zie ik ook terug in de organisaties die wij vandaag begeleiden. Het gebeurt vaker dan we denken dat een of twee mensen misbruik maken van bepaalde vrijheden, en dat de reactie vervolgens is om het hele team strakker te controleren, regels aan te scherpen of vertrouwen in te ruilen voor procedures. De sfeer kantelt dan bijna onmiddellijk. De tevredenheid zakt. Mensen voelen zich gestraft voor iets waar ze niets mee te maken hebben. En het kost achteraf veel tijd en zorg om dat vertrouwen weer op te bouwen.

Tijdens een sessie over diversiteit deze week zei ik nog dat polarisatie vaak begint wanneer we groepen als een geheel beginnen te zien, zonder differentiatie, waarbij we extreme voorbeelden als de norm gaan beschouwen. Vaak zelfs zonder nog maar een poging tot dialoog te ondernemen. En als er al een dialoog ontstaat is het vaak vanuit de ander te overtuigen ipv elkaar te willen begrijpen. Het is precies die verschuiving die ik ook hier zie: de uitzondering krijgt het volle podium, wordt de norm. De meerderheid verdwijnt in de schaduw, krijgt geeneens een stem. Het gesprek verschuift van nuance naar wantrouwen zonder dat we het goed beseffen.

Misschien is het naïef om te blijven pleiten voor meer nuance en een ander soort gesprek, zeker in een tijd waarin verontwaardiging sneller gehoord wordt dan nuance. Maar toch geloof ik dat het nodig blijft. Want als niemand het nog zegt, dan blijft het verhaal bepaald worden door de uitzonderingen en niet door de vele mensen die elke dag proberen om hun weg te vinden, in werk, in herstel, in samenwerking. En ja, misschien maakt dat mij een naïeve idealist, maar dat neem ik er dan graag bij.

We hoeven onze cliënten niet te fixen!

Gisteren in mijn opleiding Master Klinische Psychologie aan de VUB kreeg ik een mooi filmpje te zien.
Ik vond het zo treffend, omdat het precies raakt aan iets waar we als hulpverleners vaak in de val trappen.
We willen onze cliënten fixen. We zien het zoveel in onze opleidingen gebeuren. En eerlijk, ook zelf betrap ik mij erop dat die gedachte toch nog regelmatig ergens sluimert tijdend een therapiesessie.

Maar wat als dat helemaal niet nodig is?
Wat als we onze cliënten net willen uitnodigen om hun situatie onder ogen te zien, vanuit een niet oordelende en luisterende houding?
Om hen aan te moedigen er te mogen zijn voor zichzelf, precies in die moeilijke toestand waarin ze zich bevinden.

Vanuit die positie ontstaat vaak ruimte. Ruimte om anders om te gaan met wat er is, zonder voortdurend het gevoel te hebben dat ze niet goed genoeg zijn zoals ze zijn.

In onze werkrelatie zijn we voortdurend op zoek naar aansluiting en alliantie met onze cliënten.
Dit filmpje is een heldere metafoor over luisteren versus oplossen, erkennen versus repareren.
Het nodigt ons uit om twee keer stil te staan bij het luisteren op het niveau van betekenis, wat vertelt de cliënt buiten de woorden om, en bij het verbinden in plaats van interveneren, hoe vaak springen we niet te snel naar wat werkt in plaats van wat leeft.

En natuurlijk, soms moet er wel iets gefixt worden.
Als iemand zich bevindt in een ongezonde of structureel schadelijke situatie, en er is ruimte om daar invloed op uit te oefenen, dan is het vanzelfsprekend dat we dat ondersteunen.
Maar vaak proberen we ook te repareren wat eigenlijk gewoon deel van iemand uitmaakt, of wat niet weg kan maar waar iemand wel doorheen mag groeien.

Herkennen jullie dat ook, die neiging om te willen fixen?
In onze huidige avondreeks Mild zijn voor jezelf is dit precies het thema, ook voor de cliënt zelf die vaak komt met de wens om iets te repareren.
En in onze opleiding Lichaamsgericht en traumasensitief coachen onderzoeken we dit als hulpverlener, hoe we kunnen leren luisteren, aanwezig blijven en ruimte laten.

Laat dit filmpje je inspireren om in je professionele aandacht het contact voorop te stellen en niet de oplossing.

lichaamsgericht werken

De gespleten ik

Hoe beweging in de ruimte perspectief biedt na een burn-out

Het herkenbare vraagstuk

Na een burn-out duikt vaak dezelfde vraag op: wat nu?

Terugkeren naar het oude werk voelt onhaalbaar of ongewenst. Maar het nieuwe pad is nog niet zichtbaar. Er ontstaat een dubbel gevoel, iets ambigus. Want juist datgene waarvan men weet: daar ben ik ziek van geworden, daar wil ik niet terug, oefent toch een vreemde aantrekkingskracht uit. Het is bekend terrein. En wat bekend is, voelt ondanks alles als een soort veiligheid. Dat kan erg verwarrend zijn: ik weet dat ik het niet meer wil, en toch…

Mensen ervaren zichzelf in zulke situaties vaak als ‘gespleten’. Om te overleven in dat oude stuk hebben ze een deel van zichzelf ontwikkeld dat hen lange tijd gediend heeft. Het bracht hen ver, gaf kracht en bescherming. Maar het was ook een harde kant die hen heeft voortgestuwd tot voorbij hun eigen grenzen. Na het uitvallen ontdekken ze vaak opnieuw een andere kant van zichzelf: zachter, kwetsbaarder, dichter bij wie ze werkelijk zijn, maar ook nog onzeker en fragiel. De vraag die zich stelt en die vaak niet meteen een anwtoord vindt: hoe kunnen die twee kanten ooit samengaan?

Het innerlijke conflict zichtbaar maken

Een coachee beschreef dit innerlijke conflict heel scherp. Jarenlang werkte ze in managementfuncties, in een harde wereld vol verantwoordelijkheid. Daar moest ze zich voortdurend sterker voordoen dan ze zich voelde. Ze noemde dat deel van zichzelf haar carrière bitch: een rol die haar zekerheid en materieel succes bracht, maar haar ook uitputte en ziek maakte.

In een van onze sessies kreeg dit conflict letterlijk een plek. We maakten de posities zichtbaar en voelbaar in de ruimte van de praktijk. Ze koos drie posities:

  • Rood: de carrière bitch, de harde kant die grenzen stelde maar ook veel kostte.
  • Blauw: de zachte ik , zoekend, kwetsbaar, onzeker, maar dichter bij wie ze werkelijk is.
  • Neutraal: een middenpositie van waaruit ze beide kanten kon bekijken.

Toen ze in het rode stuk ging staan, nam haar lichaam direct de houding aan van iemand die zich op haar tenen uitstrekt, armen omhoog, net boven water. Uitputtend, gespannen, instabiel. Het beeld maakte tastbaar hoe haar vroegere werk voelde: voortdurend presteren, nooit rust, altijd alert.

In het blauwe stuk stond ze steviger, maar ervoer ze vooral angst. Angst dat zachtheid zou leiden tot falen. Angst dat er geen zekerheid zou volgen. En toch voelde ze dat dit haar intrinsieke ik was: creatief, verbonden, levend, met ruimte om te voelen en te doen, niet alleen te denken.

Vanuit de neutrale positie kon ze zien dat beide kanten waardevol waren:

  • De carrière bitch gaf bescherming, financiële zekerheid en het vermogen om grenzen te stellen.
  • De zachte ik bracht verbinding, zachtheid en authenticiteit.

Maar de integratie werd gesaboteerd door angst. Angst voor terugval in uitputting en angst voor de onzekerheid van het onbekende.

Het krachtveld van beweging

Precies hier toont Beweging in de Ruimte zijn kracht. Door letterlijk te gaan staan in verschillende posities, worden innerlijke delen niet alleen mentaal, maar ook fysiek ervaren. Het lichaam laat voelen: gespannen, uitgeput, stevig, richtingloos. Dat geeft vaak meer inzicht dan woorden ooit kunnen.

Een nieuw perspectief in een metafoor

Tijdens het gesprek ontstond een beeld dat haar hielp: de horizon.

  • Vanuit het rode stuk was de horizon concreet, maar uitputtend. Ze zag helder waar dit pad naartoe leidde, en wist: dit wil ik niet. De weerstand was sterk, bijna tastbaar.
  • Vanuit het blauwe stuk was de horizon vaag. Geen concrete beelden, meer een sfeer. Maar juist dit onbekende voelde uitnodigend en meer verbonden met wie ze echt is.

Vanuit de horizon kwam er gevoelstaal: trekken en duwen, van buitenaf en van binnenuit. We formuleerden het zo: de ene horizon is een vaste bestemming die trekt, maar die ik niet wil. De andere is een stuwende kracht van binnenuit, die me vooruitduwt, maar waarvan ik nog niet weet waarheen. Dat is spannend, brengt tegelijk rust, maar ook angst.

Dat pad vraagt om moed. Het is onzeker, spannend, en het vraagt geduld en vertrouwen in organische groei. Het is geen rechte lijn, maar een proces van proberen, bijsturen, opnieuw beginnen.

Naar integratie

Herstel na een burn-out gaat niet om de keuze tussen hard of zacht. Het gaat om integratie: beide kanten erkennen, hun waarde zien, en ze opnieuw leren inzetten.

  • Het harde stuk hoeft niet weg. Het mag bescherming bieden en grenzen stellen.
  • Het zachte stuk verdient ruimte en oefening, zodat het vertrouwen kan groeien zonder te verdrinken in angst.
  • De angst voor het onbekende mag er ook zijn en een plek krijgen.
  • Het neutrale stuk kan dienen als transitieplek, waar een nieuw perspectief zich kan ontvouwen.

Na een burn-out is de toekomst vaak onduidelijk. Dat is geen falen, maar een teken van wedergeboorte. Het gaat om durven zoeken, balanceren, proberen, en toelaten dat de horizon zich gaandeweg toont.

Deze coachee is nu een nieuw pad aan het verkennen, in een heel andere omgeving dan ze gewend was, als vrijwilliger. Ook dat is een waardevolle mogelijkheid bij re-integratie.

Het belang van tempo

Doorheen dit hele proces speelt tempo een cruciale rol. Het zenuwstelsel heeft tijd nodig om zich veilig te voelen en te kunnen schakelen. Dat geldt voor de harde rode kant die snel uitgeput raakt, voor de zachte blauwe kant die nog onzeker is, en ook voor het neutrale midden waar integratie mogelijk wordt.

Te snel vooruitgaan kan angst oproepen en blokkeren. Te lang blijven hangen kan leiden tot stilstand en frustratie. Het is de kunst van pacing: het juiste ritme vinden, afgestemd op wat het lichaam aangeeft.

Dat zie je terug in de metafoor van de horizon: de ene kant trekt krachtig maar maakt ziek, de andere duwt van binnenuit maar is nog onduidelijk. Alleen in een afgestemd tempo kan die stuwende kracht werkelijk richting krijgen.

En ook in de integratie is tempo bepalend. Het harde stuk hoeft niet bruut afgekapt, het zachte stuk hoeft niet overhaast groot gemaakt. Stap voor stap leren ze naast elkaar bestaan, in een ritme dat veiligheid brengt.

Precies dit principe van pacing vormt een rode draad in de opleiding Lichaamsgericht en traumasensitief coachen. Want of je nu met stress, burn-out of trauma werkt: échte duurzame verandering ontstaat pas wanneer hoofd en lichaam op één lijn komen, in een tempo dat klopt.

Van ervaring naar opleiding

Het proces dat ik hier beschrijf, raakt rechtstreeks aan wat we in de opleiding Lichaamsgericht en traumasensitief coachen aanbieden. Want veel coaches merken dat alleen praten niet genoeg is. Het brein wil wel vooruit, maar het lichaam blijft hangen in stress, spanning of oude patronen. Juist daarom werken we in de opleiding voorbij het hoofd, rechtstreeks met het zenuwstelsel.

Je leert hoe beweging, waarneming en regulatie-oefeningen cliënten helpen hun interne gespletenheid te ervaren en stap voor stap te integreren. Zo breng je veiligheid, veerkracht en herstel terug in coaching.

Nieuw in de opzet van 2025: er is meer tijd tussen de derde en de twee laatste opleidingsdagen, met een extra intervisiemoment tussendoor. Dat geeft ruimte om technieken uit te proberen, te laten bezinken en terug te koppelen.

Wil je je verdiepen in hoe lichaam en geest samen werken, en hoe je als coach cliënten begeleidt bij duurzame verandering? Dan vind je in deze opleiding niet alleen kennis en een neurobiologisch kader, maar ook meer dan 50 praktische oefeningen waar je mee aan de slag kan om meteen tijdens intervisies of in leergroepjes te oefenen.

Meer lezen over de opleiding: https://fulfil.be/polyvagaalbewust-coachen/

ruimte-innemen-psychologische-veiligheid

Wanneer ruimte innemen voelt als een risico

In mijn praktijk kwam ik deze week een thema tegen dat velen zullen herkennen: ruimte innemen. Een stem durven hebben. Je visie uiten, ook als niet alles al vaststaat.

Wat mij raakte, is dat het niet ging om iemand die geen impact kon maken. Integendeel, welbespraaktheid, overtuigingskracht en heldere argumentatie waren volop aanwezig. Maar er zat een filter op. Er werd pas gesproken wanneer er een expliciet mandaat gegeven werd, wanneer men zich erkend voelde als expert, wanneer de ervaring voldoende groot leek tegenover die van collega’s, of wanneer het juiste diploma op tafel lag.

De gemiste kans
Toen ik vroeg: “Voor wie wil je eigenlijk spreken?” kwam er direct en overtuigd een antwoord: voor de cliënten natuurlijk. Voor het beste van de organisatie.

En precies daarin ligt het volste recht om te spreken. Want wie spreekt met de intentie om cliënten beter te helpen of de organisatie sterker te maken, verrijkt altijd. Het gaat niet over persoonlijke profilering, maar over bijdragen aan iets groters.

Wat een gemiste kans dus, wanneer die stem toch wordt ingeslikt. Voor de cliënt die baat heeft bij elk extra inzicht. Voor de organisatie die kansen mist om te leren. En voor de persoon zelf, die zijn of haar bijdrage niet tot volle kracht kan brengen.

Wat speelt er individueel?
In zulke situaties zie je hoe sterk overtuigingen ons kunnen sturen.
“Ik mag geen ruimte innemen tenzij ik expliciet mandaat krijg.”
“Ik moet alle expertise hebben en erkend worden door mijn peers.”
“Ik moet het juiste diploma hebben.”

Dat is geen gebrek aan vaardigheid. Het is een filter die gedragsvoorkeuren onderdrukt. In ons gedragsdynamisch model herkennen we dat onder meer bij:

  • Zelfbewust handelen (mentale kracht): vertrouwen op je eigen stem staat onder druk.
  • Visie uitdragen (creatiekracht) – welbespraakt communiceren (dynamische kracht): ideeën en overtuigingen zijn er, de wetenschap om dit helder over te brengen is er, maar ze blijven binnen.
  • Praten en handelen met impact (dynamische kracht): de natuurlijke kracht om effect te hebben op anderen wordt klein gehouden door geïnternaliseerde onzekerheden.

Die filter lijkt sterk op het imposter-syndroom: de overtuiging dat je pas recht hebt van spreken als je 200% bewijs hebt geleverd. Soms hangt dit samen met faalangst, maar de kern hier is vooral: “ik ben nog niet genoeg.”

Wat speelt er organisatorisch?
Tegelijk is dit geen louter individueel probleem. Wanneer psychologische veiligheid ontbreekt, voelt ruimte innemen als een risico. Dan durven medewerkers hun stem pas laten horen als ze 100% zeker zijn van hun gelijk. Of als ze zeker zijn dat ze voldoende bijval zullen krijgen.

Voor organisaties is dat een gemiste kans. Psychologische veiligheid is de voedingsbodem waarin gedragsvoorkeuren tot bloei komen. En precies hier speelt leiderschap een doorslaggevende rol. Leidinggevenden bepalen in hoge mate of ruimte innemen wordt aangemoedigd of ontmoedigd. Hoe ze reageren op nieuwe ideeën, hoe ze omgaan met fouten, hoe ze erkenning geven aan inspanningen: het zijn signalen die medewerkers lezen als veilig of onveilig.

Daarom vraagt dit om structurele aandacht, zoals:

  • een cultuur waarin elke visie welkom is, ook al is ze nog niet af
  • leidinggevenden die ruimte maken voor onzekerheid en vragen
  • waardering geven, niet enkel voor de inhoud maar ook voor het feit dat iemand spreekt
  • welzijnsbeleid dat ruimte innemen niet alleen toelaat, maar actief stimuleert

De brug
Daarom is werken op twee fronten tegelijk zo krachtig.
Individueel: zicht krijgen op gedragsdynamieken, gedragsvoorkeuren versterken en filters doorbreken.
Organisatorisch: de bouwstenen leggen voor psychologische veiligheid, zodat stemmen niet worden ingeslikt maar gehoord.

Individuele weerbaarheid versterken én tegelijk de potgrond scheppen waarin mensen kunnen groeien. Dat is waar ons welzijnsbeleid voor staat.

Want elke intentie die gericht is op cliënten of organisatie, verdient gehoord te worden.

psychologischeveiligheid #ruimteinnemen #gedragsdynamiek #leiderschap #welzijnophetwerk

lichaamsgericht coachen, veiligheid in therapie

Veiligheid laat zich niet forceren

Over nabijheid, afstand en leren verdragen wat er is

Veiligheid is een woord dat in therapie en coaching vaak terugkomt. Als therapeut wist ik altijd dat het belangrijk was: een client kan pas groeien als er een gevoel van veiligheid is. Maar wat doe je wanneer die veiligheid er niet is, zelfs niet in de therapeutische relatie zelf

Voor mij was dat jarenlang een heel lastig thema. Alles wat je leert, alles wat in de boeken staat, zegt dat veiligheid de basis is. Dus dacht ik vroeger automatisch: als die veiligheid er niet is, dan doe ik iets verkeerd.

Vandaag kijk ik daar heel anders naar. En dat maakt niet alleen het verschil voor mezelf, maar vooral voor de client en voor het proces dat we samen doormaken.


De confrontatie met geen veiligheid

Een tijdje geleden deed ik een oefening met een client, waarbij we met nabijheid werkten en letterlijk in de ruimte gingen staan. Het werd pijnlijk duidelijk dat de client geen veiligheid voelde bij mij.

Vroeger zou dat een enorme trigger geweest zijn. Ik zou meteen in de reflex zijn gegaan: ik doe iets fout, ik moet dit oplossen, ik moet harder mijn best doen om veiligheid te bieden. En onbewust gaf ik daarmee een oordeel, zowel over mezelf als over de client: alsof er iets mis was met het proces, alsof we niet juist bezig waren.

Vandaag lukt het me om dat anders te dragen. Om te voelen wat er gebeurt en om het bespreekbaar te maken, zonder oordeel en zonder de drang om meteen een oplossing te hebben.


Een oefening in nabijheid en afstand

Tijdens de oefening markeerden we de ruimte met linten en een koord. Zo maakten we zichtbaar waar het veilig voelde en waar niet.

Wat duidelijk naar voren kwam: ik moest als therapeut veraf blijven. Zodra ik dichterbij kwam, werd de veiligheid verstoord. Voor deze client betekende veiligheid juist alleen zijn, in een hoekje, klein en in zichzelf gerold.

Dat was een krachtig en confronterend moment. Want als therapeut wil je vaak nabij zijn, letterlijk en figuurlijk. Je wil er kunnen staan voor je client. En toch vroeg dit proces om iets anders: om afstand, om ruimte, om erkenning van een heel eigen definitie van veiligheid.


Wat dit vroeg van mij als therapeut

Dat moment vroeg van mij om mijn eigen reflexen los te laten. Mijn reflex om nabijheid te willen geven. Mijn reflex om oplossingen te zoeken. Mijn reflex om te denken dat ik het niet goed genoeg deed.

Het vroeg van mij om aanwezig te blijven, juist door op afstand te staan. Om geen oordeel te hebben over wat er gebeurde. Om te verdragen dat veiligheid zich niet liet forceren.

Die houding was vroeger bijna onmogelijk voor mij. Ik wilde bewijzen dat ik goed bezig was. Ik wilde bevestiging dat ik het goed deed als therapeut. En als dat gevoel van veiligheid er niet was, dan was dat voor mij een bewijs van falen.

Vandaag kan ik zien dat het proces juist krachtiger wordt als ik mezelf niet verstrik in dat oordeel.


Wanneer oefeningen niet lukken

Dat betekent ook dat bepaalde oefeningen gewoon niet werken. Denk aan:

  • een veilige plek installeren, ook al is die imaginair
  • terugblikken op pijnlijke momenten met mildheid
  • visualisaties rond geborgenheid en troost

Voor clienten die veiligheid niet ervaren, zijn dit vaak bruggen die nog te ver liggen. Vroeger zou ik dat gezien hebben als een mislukking. Vandaag zie ik het als een signaal: dit is waar de client nu staat.

Soms ontstaat er wel iets, maar niet op de manier die je verwacht. Zo vond deze client een plek waar ze tot rust kwam, maar het voelde nog steeds niet echt als veilig. In de sessies daarna zijn we verder gegaan met haar inner circle, omdat ze vooral moeite ervaart in ruimtes met andere mensen.

Gaandeweg kwam er een ander beeld naar boven: een imaginaire bescherming. Niet omdat we ernaar zochten, maar omdat het in het proces de tijd en ruimte kreeg om te verschijnen. Het eerste beeld dat rust bracht, was een laagje zo dun als een zeepbel. Fragiel, en tegelijk een begin van bescherming.

Dat het een zeepbel was, toont hoe broos veiligheid nog was. En precies daarom was het waardevol: het mocht ontstaan in een eigen tempo, in de ruimte die we samen openlieten voor wat zich wel of niet zou vormen.


Wat er gebeurt in het lichaam

Wat me als lichaamsgericht therapeut zo raakt, is dat dit proces altijd zichtbaar en voelbaar is in het lichaam.

Een client die zich klein maakt in een hoekje, die zich letterlijk oprolt, laat zien wat veiligheid voor hem of haar betekent. Het lichaam drukt uit wat woorden vaak niet kunnen. Het lichaam toont waar de grens ligt.

En ook bij mezelf merkte ik het: de spanning die ik voelde toen ik dichterbij kwam, de ontspanning die er kwam toen ik terugstapte. Mijn eigen lijf is net zo goed een instrument dat me laat voelen wat er gebeurt in de ruimte.


Het belang van nabijheid, ook op afstand

Wat ik vooral heb geleerd, is dat nabijheid niet altijd betekent dat je dicht bij iemand moet staan. Nabijheid kan ook bestaan met afstand.

Het belangrijkste is dat ik aanwezig blijf, ook al is dat op een fysieke of emotionele afstand. Dat ik niet wegga uit het contact, dat ik blijf staan, blijf voelen, blijf erkennen wat er gebeurt.

Soms is dat enkel samen in dezelfde ruimte zijn. Soms is dat een klein stapje zetten. Soms is dat wachten, verdragen, en ruimte laten.

Dat vraagt regulatie van mijzelf. Dat vraagt dat ik mijn oordeel loslaat. Dat vraagt dat ik vertrouw dat het proces zich ontvouwt in het ritme dat de client aankan.


Stap voor stap in proces blijven

Therapie en coaching zijn geen opeenstapeling van oplossingen. Het is geen checklist van oefeningen die moeten lukken. Het is een proces. En dat proces loopt vaak niet rechtlijnig.

Er zijn momenten van vooruitgang, momenten van stilstand, momenten van terugval. En soms onverwachte openingen die je niet had kunnen plannen.

Door niet te forceren en door het oordeel los te laten, blijft het proces in beweging. En precies daarin ontstaat de mogelijkheid dat veiligheid zich langzaam ontwikkelt. Niet omdat ik het geef als therapeut, maar omdat het kan ontstaan in de relatie.


Wat dit betekent voor lichaamsgericht coachen

In onze opleiding Lichaamsgericht Coachen werken we precies met dit soort processen. Het gaat niet enkel om technieken of oefeningen. Het gaat om:

  • leren verdragen wat er is, ook als dat ongemakkelijk voelt
  • nabijheid en afstand bewust leren inzetten
  • oefenen om zonder oordeel aanwezig te blijven

Dat vraagt moed, zowel van de coach als van de client. Maar het is precies dit proces dat lichaamsgericht werken zo waardevol maakt. Het leert je om je eigen aanwezigheid, je lichaam en de ruimte tussen jou en de ander in te zetten als instrument.


Persoonlijk slot

Voor mij blijft dit een oefening, elke dag opnieuw. Het niet willen forceren. Het geen oordeel hebben. Het aanwezig blijven in wat er is, ook als dat niet gemakkelijk is.

Net daarom vind ik lichaamsgericht werken zo krachtig. Het brengt mij steeds terug naar de essentie van wat ik als therapeut kan betekenen. Niet door te doen, niet door te fixen, maar door er te zijn.